15 NOVEMBER 2009 (Ieper)
Een ontploffing deed de loopgraaf daveren.
Iedereen zweeg met een angstige blik.
Je hoorde enkel het geratel van al wat ijzer was.
"Die is minstens 300 meter.", zei één van de soldaten om zichzelf moed
in te spreken.
Iedereen stond gespannen te wachten of er een volgende knal zou volgen.
Iedereen behalve één zonderlinge figuur.
Tom Cornwall lag met zijn rug tegen de zijkant van de loopgraaf,
haast onbewust van wat er zich afspeelde rond hem.
Hij staarde.
Zijn blik ging naar een gehavende foto die hij krampachtig in zijn hand hield.
Op de foto stond een meisje.
Mooi.
Ze had een bekende actrice kunnen zijn, maar dat was ze niet.
Het moest lente geweest zijn,
buiten op een picknick tapijtje.
Een liefelijke glimlach werd geworpen naar de fotograaf, maar deze was
duidelijk bedoeld voor de toekomstige eigenaar van de foto.
Tom kwam van een klein dorpje in Engeland.
Zijn vader was slager en had zijn hele leven in het dorp doorgebracht,
net zoals zijn grootvader.
Het zag er lang naar uit dat Tom ditzelfde lot zou delen.
Hij had geen speciale vaardigheden of talenten, waarvan hij gebruik
kon maken om dat saaie bestaan te ontvluchten.
Er restte hem dus maar één noodoptie:
het leger.
De foto had al twee jaar een vaste plaats in de binnenzak van zijn jas.
Tom was de jongste van zijn loopgraaf en was daardoor vaak de pispaal
van zijn medesoldaten.
Behalve op één vlak kreeg hij respect.
Zijn foto.
Allemaal waren ze jaloers dat hij zulke knappe dame had weten te strikken.
Ze spraken vriendelijk met hem in de hoop zijn geheim te ontfutselen,
of haar adres.
Maar Tom had geen geheim.
Hij had nog nooit de moed gehad om te zeggen dat hij het meisje op de
foto helemaal niet kende.
Haar blik had hij voor het eerst gezien toen hij een portefeuille
onderzocht die hij op straat had gevonden.
Geld zat er amper in, maar de foto had hem meteen in zijn greep.
Dit was al 3 jaar geleden.
Ondertussen speelde hij het spelletje al zolang mee, dat hij,
al was het maar soms,
echt geloofde dat deze bevallige vrouw hem zou opwachten aan de andere
kant van het Kanaal.
Mocht deze rotoorlog ooit eindigen.
"Kom je nog?", riep een ietwat oudere soldaat.
Aan zijn houding af te leiden leek het de meerdere van Tom te zijn.
Maar dat was hij niet.
Ondanks zijn vaardigheden, schermde een sluimerde drankorgel in hem de
promotie af, die hij ongetwijfeld verdiende.
Zijn naam was Henry, maar iedereen noemde hem "match".
Dit, omdat hij altijd met een doosje lucifers rondliep, maar nooit
bereid was iemand een vuurtje te geven.
Ooit was hij zelf fervent roker,
maar een jaar geleden was hij gestopt.
Dit verbaasde iedereen, want in die tijd was er nog geen enkele reden
gekend om te stoppen met roken.
Zeker niet als je elke dag te kampen had met de verveling die
loopgraven met zich meebrachten.
Om de verveling tegen te gaan hadden Tom en "match" zich vrijwillig
aangesloten bij een speciale eenheid.
Deze eenheid was verantwoordelijk voor het graven van tunnels onder
het niemandsland.
Op deze manier konden ze de Duitsers langs onder aanvallen.
Het was een vreselijk job.
Maar het deed was het moest doen.
Het doodde de tijd.
"We hebben nog wel wat werk voor de boeg.", sprak hij aanmanend.
Tom volgde hem richting de ingang van de tunnels.
Aan de ingang lag het vol met houten balken.
Deze hadden reeds de juiste vormen en konden zo in de gegraven gangen
geplaatst worden.
Ze werden in Engeland door deskundigen gemaakt.
Er werd tijd bespaard door het op deze manier te doen.
Enkele ingenieurs waren hen een paar maanden geleden komen uitleggen
hoe ze er best aan begonnen.
Sindsdien sloegen ze er in hun plan te trekken.
Ze gingen de tunnel binnen, maar niet alvorens Tom nog een olielamp
had meegepakt.
In het begin van de tunnel was al elektrische belichting aangebracht,
maar aan het einde, waar ze nu gingen graven, heerste nog duisterenis.
Ze groeven enkele uren.
Het meeste tijd kroop in het afvoeren van de aarde.
Tijdens het graven vroeg Tom zich vaak af wat er zou gebeuren mocht
hij plots op een gelijkaardige tunnel van de Duitsers stoten.
Waarschijnlijk zouden ze enkele seconden verbaasd naar elkaar kijken,
waarna een bloeddorstige gevecht op leven en dood zou uitbarsten.
Maar de kans dat dit zou gebeuren was zeer klein, dus maakte hij zich
geen zorgen.
Het waren dit soort gedachten die de tijd lieten voorbijgaan.
Tom zou trouwens nooit iemand kunnen doden.
Zijn vader had hem ooit verplicht een koe te doden.
Hij weigerde.
Zijn vader omklemde het hand waarin Tom los het mes vasthield en
leidde het naar de keel van de koe.
Tom had 2 nachten niet geslapen.
"We zijn klaar voor vandaag", zei Match.
Tom vulde nog snel een laatste kruiwagen met aarde, en volgde Match
die al richting de uitgang aan het wandelen was.
Halverwege haalde hij hem in.
"niks vergeten?", zei Match met een grimas, toen hij zag dat Tom zijn
vest niet aanhad.
Tom vloekte, en gebaarde dat Match op hem moest wachten samen met zijn
kruiwagen.
Hij liep terug richting de duisterenis.
Match zag de gestalte van Tom steeds vager er donkerder worden.
Terwijl hij wachtte haalde hij het doosje lucifers uit zijn broekzak.
Telkens als hij dit deed ging dit gepaard met een herinnering.
Een jaar geleden stierf een onbekende soldaat in zijn armen.
"Krijg ik nog een sigaret?", was zijn laatste wens.
Hij stak snel een sigaret in de mond van de dodelijk gewonde soldaat,
maar toen hij 2 minuten later eindelijk zijn lucifers gevonden had,
was de sigaret al uit zijn mond gevallen.
Een aanzicht dat hij nooit vergeten was.
Plots volgde een luidde knal.
"minstens 100 meter ver", dacht hij toen hij aarde naar beneden zag dwarrelen.
Onmiddelijk viel zijn blik op een van de ondersteuningsbalken die leek
te bewegen.
Tom pakte vlug zijn jas die hij had uitgedaan om ervoor te zorgen dat
hij niet te vuil werd.
Hij controleerde of de foto nog in de binnenzak zat.
En zoals altijd was hij daar.
Snel, maar minder haastig liep hij terug richting Match.
Toen hoorde hij een ontploffing in de verte, gevolgd door een veel
lager gebrom dat van veel dichter leek te komen.
Zijn pas werd weer haastig.
"normaal moet hier toch alweer belichting zijn", dacht hij.
Maar het bleef donker buiten het licht van de olielamp.
Wat hij vreesde bleek waar te zijn.
Een deel van de tunnel bleek ingestort.
Zijn weg werd versperd door een berg aarde.
Een eerste instinct zei hem dat hij moest graven.
En dat deed hij ook.
Uren groef hij.
Maar geen stemmen.
Niets dat hem hoop gaf dat hij bij terug buiten zou raken.
Na enkele uren graven zag hij plots een hand.
De rest van het lichaam lag nog bedolven onder de aarde.
Tom wist wat hij ging aantreffen als hij verder groef.
De moed zakte hem in de schoenen.
Ze zouden me wel komen redden, dacht hij
Na nader onderzoek was hij te weten gekomen dat de vuist geklemd was
om een doosje lucifers.
Dit deed zijn laatste twijfels en hoop verdwijnen.
Zijn olielamp doofde.
Het was donker.
Dagen leken voorbij te gaan.
Niets veranderde.
Elke keer dat hij dacht dat er twee uur waren voorbij gegaan stak hij
een lucifer aan.
Keek hij naar de foto en wist hij dat alles goed ging komen.
Maar de uren verstreken,
niemand die hem kwam redden,
en de lucifers raakten schaarser.
Er zaten er nog twee in het doosje.
Hij wachtte langer dan twee uur.
een dag.
twee dagen?
Zijn lichaam was uitgeput en hij besefte dat hij iets moest doen.
Hij kleedde zich uit,
gooide zijn kleren op een hoopje,
stak de voorlaatste lucifer aan en bracht hem naar zijn kleren.
Hij aarzelde even, haalde nog snel de foto uit zijn binnenzak, en zag
hoe zijn kleren vuur vatte.
De warmte die het vuur creëerde troostte hem.
Ergens hoopte hij stiekem,
dat de rook zijn longen zou binnendringen en hem zo van zijn leven zou ontnemen.
Een vrij pijnloze dood had hij gehoord.
Hij kuchte,
maar de rook leek inventiever in zijn ontsnappingspogingen en bleef niet hangen.
Het vuur doofde.
Zijn naakte lichaam kroop in elkaar om geen overbodige warmte te verliezen.
In zijn handen voelde hij de foto en de laatste lucifer.
Lag hij er nu al een week? Of nog maar twee dagen?
Hij wist het niet, maar zijn lichaam werd snel zwakker.
De hoop om gered te worden had hij al lang laten varen.
Er was niet veel tijd meer.
In een vlaag van honger en waanzin had hij de foto in zijn mond
gestoken om hem op te eten,
maar hij kon niet meer voldoende speeksel aanmaken, en had zijn poging
snel gestaakt.
Al snel werd hij overvallen door een gevoel van spijt dat hij dit
zelfs geprobeerd had.
Hij zou wenen, als hij kon.
Het was tijd.
Hij stak zijn laatste lucifer aan.
Vertrouwde ogen keken naar de zijne.
"Alles komt goed", hoorde hij ze zeggen.
Hij zag de herinneringen van een leven dat ze nooit gehad hadden.
Net alvorens de lucifer ging uitgaan, bracht hij de vlam naar foto.
De foto vatte vuur, en brandde snel op, maar het moment leek eeuwig te duren.
Eindelijk voelde hij de warmte van de vrouw die hij altijd lief had gehad.
Hij stierf zodra de duisternis viel, hoewel zijn hart pas enkele uren
later stopte met slaan.
Ik keek nog steeds naar het monument dat trots op Hill 62 stond.
De omringende graven van de gesneuvelde soldaten stemde tot nadenken.
In de verte speelde er doedelzakmuziek.
Waarschijnlijk een ceremonie.
Ik was voor de derde keer mijn tandenborstel vergeten,
had me even op dit bankje gezet op mijn opties te overwegen.
Zou ik verder richting Ieper trekken?
of terugkeren om hem te gaan halen?
Snel besefte ik dat mijn twijfel onbelangrijk was.
Ik pakte mijn fiets en reed door naar Ieper. |