19 DECEMBER 2009
Uiterste concentratie is vereist wanneer men over besneeuwde wegen fietst.
Echt 'anders fietsen' is het niet, maar je moet elke seconde klaar
zijn om een ruk aan je fietsstuur te geven,
zowel naar links als naar rechts.
Je doet dit terwijl je in je hoofd reconstrueert hoe de weg er zou
hebben uitgezien op een zonnige zomerdag.
"Waar zijn de rioolputten en stoepranden?"
"Is hier eigenlijk wel een fietspad?"
Buiten deze kleine ongemakken is het zeer aangenaam fietsen door het
sneeuwlandschap,
zolang je je maar focust.
Ik ben altijd van mening geweest dat een mens pas echt oud is als men
sneeuw meer gaat associƫren met deze ongemakken dan de
schoonheid ervan.
Dus elke keer als ik het gevoel had dat ik me op stabiele ondergrond
bevond liet ik mijn blik naar hartelust ronddwalen.
Wanneer is een mens oud?
Ik had de avond ervoor nog een interessante opmerking erover gelezen
in de 'the picture of dorian gray' van Oscar Wilde:
'Yes,' he continued, ' that is one of the great secrets of life.
Nowadays people die of a sort of creeping common sense, and discover
when it is too late that the only things one never regrets are one's mistakes.'
Een paradoxale uitspraak, zegt hij zelf.
"Maar bestaat de paradox wel binnen een uitspraak die de rationaliteit aanvalt?"
"Misschien moet ik eerst het boek uitlezen vooraleer ik hier gedachten
aan verspil?"
"heerlijke aanval op de rationaliteit wel"
De haast willekeurige opeenvolging van gedacht kwam abrupte ten einde.
Mijn achterwiel schoof naar links, gevolgd door een luide plof.
...
"Ik ben niet dood."
Een dikke laag sneeuw had mijn val gebroken.
Ik was op mijn rechterzijde terechtgekomen.
Bewust,
zo kon ik voorkomen dat mijn gitaar, die op mijn rug hing, te hard in
de klappen moest delen.
Ik haalde hem van mijn rug,
legde me plat neer,
hief hem boven mijn lichaam,
rammelde er eens mee
en stelde tevreden vast dat hij nog uit 1 stuk bestond.
"voorlopig voldoende kwaliteitscontrole", dacht ik bij mezelf toen ik
hem naast me neerlegde.
Wat was het stil.
Ergens moest ik op deze ondrukke weg verzeild geraakt zijn.
Mijn rechterbeen lag nog gekneld onder een beladen fiets,
maar ik voelde geen haast om me op te richten.
Er waren geen kinderen met wijzende vingers in de buurt,
en ook geen moeders die zich onnodig ongerust zouden maken.
Ik genoot van de plotselinge rust.
Misschien was ik geschrokken,
of misschien was het opluchting.
De sneeuw die me het voorbije halfuur voortdurend bedreigd had, vormde
nu een zacht bed, waarin ik kon bekomen.
Geen fietsers, geen auto's, geen drukke gedachten.
enkel een leegte van witheid belicht door een felle zon
Grote afstanden fietsen door de sneeuw was misschien een aanval op het
gezond verstand,
maar Oscar bleek gelijk te hebben.
Ik besloot nog even te blijven liggen,
reikte met mijn hand in een tas die vanvoor aan mijn fiets hing,
en toverde een klein blauw boekje tevoorschijn.
'chapter 4' |